Kort Verlof

Een collega vroeg me of ik even met Bas de stad in wilde. Bas -niet zijn echte naam-, ongeveer 30 jaar oud met de diagnose schizofrenie was een charmante jongen met een slordig uiterlijk. Een wijd model spijkerbroek droeg hij riemloos en daardoor tot halverwege zijn billen. Zijn lange haren stonden wild alle kanten uit en om zijn nek droeg hij een koord met daaraan een blauw rubberen eendje. Hij gaf me een envelopje met aan losse munten vijf euro. We zouden daar een Schelvispekeltje van drinken in een zeemanskroeg hartje Amsterdam.

Door: Pepijn van der Weide

Even voor vertrek ging Bas nog naar zijn kamer. Hij kwam terug in een winterjas met dons in de voering. Toen ik zei dat het buiten 25 graden was, antwoordde hij: “Het kon wel eens gaan waaien straks.”
Wat ons nog te doen stond was een korte voorbespreking van het verlof. Hoe lang gaan we? 2 uur. Wat gaan we doen? De stad in, een borreltje drinken, naar de meisjes kijken op de wallen en dan weer terug. Wat gaan we niet doen: harddrugs gebruiken en weglopen.
We liepen in stevig tempo naar het station. Samen buiten de kliniek geeft altijd een bepaalde sensatie. Binnen de muren is er altijd en overal een zichtbare scheiding tussen hulpverlener en cliƫnt. Op straat is dat anders; voor mensen die ons samen zien zijn we gewoon twee mannen die over straat lopen. De een misschien wat excentrieker dan de ander.
Aangekomen op het perron zag ik een metro staan tot aan de schuifdeuren gevuld met mensen. “Ze gaan vaak, we kunnen best de volgende nemen”, probeerde ik, maar Bas was al bezig zichzelf er zachtjes in te duwen. Dus ik ook, want samen uit samen thuis. De deuren gingen dicht en we stonden daar in stilte. De metro, die vlak buiten het station een paar keer van spoor wisselde, schudde ons een beetje door elkaar. Bas excuseerde zich netjes voor de mensen die hij hierdoor raakte.
Een propvolle metro is veel te intiem, daar worden mensen stil van. In die stilte zag ik dat vijf mensen in de directe omgeving van Bas contact zochten. Er werd niets gezegd, maar hun ogen rolden omhoog en hun mondhoeken gingen naar beneden. Kennelijk niet in de gaten dat ik bij Bas hoorde, werd ook ik meegenomen in het zwijgzame rondje van afkeuren. Opvallend en een beetje eng vond ik de behoefte van die mensen, om in stilte eensgezindheid te vinden in het non verbaal uitsluiten van iemand. Bas deed namelijk niets anders dan de rest. Niets anders dan zijn uiterlijk was anders.
Aangekomen op CS liepen we de metro uit. Ik had niet de indruk dat Bas iets had gemerkt, hij had zin om de stad in te gaan.