John

‘Kom maar op als je durft’ lijkt hij uit te stralen.
De spanning bij andere bezoekers loopt acuut op als John, met zijn handen in de zakken van zijn bomberjack het buurthuis binnenstapt. Hij is pezig en lang en heeft verschillende doe-het-zelf-tattoos op zijn handen. Met zijn tong beweegt hij standaard een tandenstoker heen en weer tussen zijn lippen. Hij komt door zijn verschijning nogal intimiderend over. Vandaag heeft hij flink donkere wallen onder zijn ogen.

Door: Rian Meulenbroeks

“Hey John, hoe is het. Je ziet er moe uit, slecht geslapen vannacht?”
Hij trekt nogal explosief een stoel onder de tafel vandaan, stroopt zijn mouwen op en gaat zitten. Ik zie wat andere bezoekers van het buurthuis verstrakken. John brengt een hoop onrust binnen met zijn aanwezigheid.
“Het is echt overal gezeik,” zegt hij zo hard dat iedereen het wel moet horen. Normaal gebruikt hij veel gebaren om zijn verhaal kracht bij te zetten, maar vandaag lijkt de energie hem te ontbreken.
Ik ken John al een tijdje en weet dat hij opgroeide in een gezin waar het ontbijt van pa bestond uit een halve krat bier en dat er regelmatig klappen vielen. Je was pas iemand als je kon overleven door te knokken, jatten of intimideren. John raakte tegen wil en dank getekend door een jeugd in die omgeving.

Zijn bravoure is nog steeds zijn pantser.
Daarmee houdt hij mensen op afstand. Omdat ik vermoed dat hij onder invloed is, vraag ik of hij even met mij meeloopt. Ik klink flinker dan ik me voel. Als we alleen zijn vraag ik wat er speelt.
“Ik word gek van alle instanties,” zegt hij opgefokt. “Ik sta uren in de wacht, of word van het kastje naar de muur gestuurd. Ik zweer het je, eerdaags rijd ik iemand de berm in. Of mezelf tegen een boom!” Hij slaat nog wat gefrustreerde taal uit en eindigt met gemopper over zijn tijdelijke baantje als orderpikker.
“Dat is nogal wat allemaal,” vat ik zijn verhaal kort samen. Hij pakt de tandenstoker uit zijn mond en breekt hem doormidden. “Ja, voor mij hoeft het zo niet meer.”
“Zeg je nou dat je dood wilt?”
“Ja, eigenlijk wel.”
Ik zie hem slikken en dan begint hij te huilen. Die stoere vent, die bonk spanning die je ’s avonds liever niet tegen zou komen, wat zeg ik, overdag eigenlijk ook niet, zit met diepe halen te huilen. Ik laat hem, gun hem de tijd. Ik weet ook even niet wat ik anders moet doen, ik ben alleen present.
Als hij uitgesnotterd lijkt, vangt hij mijn blik.

“Het is haar sterfdag vandaag.”
Ik weet nog niet over wie hij het heeft, maar hij begint met horten en stoten te vertellen. Ik luister.
“Ik had nog nooit geborgenheid ervaren totdat ik Jennie ontmoette,” vertelt hij. “Ik durfde bijna niet te geloven dat ik zoveel geluk had.” Hij vond een vaste baan, ze kochten een huisje en vijftien jaar ging het goed. “Maar toen kreeg ze kanker.” John trok die klap niet en uit angst om Jennie kapot te zien gaan, verliet hij haar. Hij tuimelde in de kloof tussen de rauwe leefstijl uit zijn jeugd en het rustige leven met Jennie, verloor zijn baan en leefde van de ene joint naar de andere. Als hij geld had snoof hij coke. Toen hij via-via hoorde dat Jennie stervende was, raapte hij alle moed bij elkaar en zocht haar op. Hij was net te laat. Ze stierf voordat hij afscheid had kunnen nemen.
“Zij was de enige die ooit iets in me gezien had.”
Schaamte en schuld verteren hem nog steeds en de enige manier waarop hij de dagen doorkomt is door veel te blowen, wat uurtjes te werken om aan geld te komen en alles en iedereen in zijn omgeving op de kast te jagen.

“Ik kan alleen tieren als het me te veel wordt.”
“Ja, dat had ik al gemerkt,” zeg ik met een stomme grijns op mijn kop. Ik kan het niet helpen. Ik ben te vaak getuige geweest van dat gedrag. Hij moet er ook om lachen. We kletsen nog wat verder en aan het eind van ons gesprekje wijs ik hem op de mogelijkheid om 113 te bellen als de wanhoop te groot wordt, of een afspraak te maken bij de POH GGZ. Verder nodig ik hem uit vaker naar het buurthuis te komen. “Als je tenminste niet iedereen de gordijnen injaagt,” zeg ik hem met een knipoog. Hij ziet de humor er wel van in. Voor nu is de druk van de ketel.
Als we opstaan om terug te lopen naar de anderen, legt hij z’n hand even kort op mijn schouder. “Bedankt voor het luisteren,” zegt hij dan, “dat heeft me goed gedaan en voor de koffie, ook al is die koud geworden.”

Rian Meulenbroeks werkt al dertig jaar als hulpverlener in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en schrijft regelmatig over alledaagse momenten uit haar leven en werk. Haar website vind je hier.